A2 Dutch GrammarPast Tense
Form Dutch past tense using the imperfectum (-te/-de) for ongoing past and perfectum (hebben/zijn + past participle) for completed actions.
1Imperfectum (Simple Past)
Add -te(n) after stems ending in t, k, f, s, ch, p. Add -de(n) after other consonants. Remember: 't kofschip.
Imperfectum Endings
| Type | Singular | Plural | Example |
|---|---|---|---|
| t,k,f,s,ch,p stem | -te | -ten | werkte, werkten |
| other stems | -de | -den | leefde, leefden |
Examples
Ik werkte gisteren.
I worked yesterday.
werk + te (t in kofschip)
Wij woonden in Amsterdam.
We lived in Amsterdam.
woon + de
Hij fietste naar school.
He cycled to school.
fiets + te (s in kofschip)
Zij speelden voetbal.
They played football.
speel + den
2Perfectum with Hebben
Most verbs use hebben + past participle. Past participle: ge- + stem + -t/-d.
Perfectum with Hebben
| Infinitive | Past Participle | Perfectum |
|---|---|---|
| werken | gewerkt | heb gewerkt |
| maken | gemaakt | heb gemaakt |
| leven | geleefd | heb geleefd |
| horen | gehoord | heb gehoord |
Examples
Ik heb het gedaan.
I have done it.
hebben + gedaan
Zij heeft een boek gelezen.
She has read a book.
hebben + gelezen
Wij hebben de film gezien.
We have seen the movie.
hebben + gezien
Hij heeft hard gewerkt.
He has worked hard.
hebben + gewerkt
3Perfectum with Zijn
Verbs of motion and change of state use zijn + past participle.
Zijn Verbs
| Infinitive | Past Participle | Meaning |
|---|---|---|
| gaan | gegaan | gone |
| komen | gekomen | come |
| worden | geworden | become |
| blijven | gebleven | stayed |
| zijn | geweest | been |
Examples
Ik ben naar huis gegaan.
I have gone home.
zijn + gegaan
Hij is gisteren gekomen.
He came yesterday.
zijn + gekomen
Wij zijn in Nederland geweest.
We have been in the Netherlands.
zijn + geweest
Zij is dokter geworden.
She has become a doctor.
zijn + geworden
4Irregular Past Participles
Strong verbs have irregular past participles that must be memorized.
Common Strong Verbs
| Infinitive | Past Participle | English |
|---|---|---|
| schrijven | geschreven | written |
| eten | gegeten | eaten |
| drinken | gedronken | drunk |
| zien | gezien | seen |
| nemen | genomen | taken |
| geven | gegeven | given |
Examples
Ik heb een brief geschreven.
I have written a letter.
schrijven → geschreven
Heb je al gegeten?
Have you eaten yet?
eten → gegeten
Wij hebben koffie gedronken.
We have drunk coffee.
drinken → gedronken
Hij heeft de sleutels genomen.
He has taken the keys.
nemen → genomen