LingoStoriesLingoStories
🇳🇱A2

A2 Dutch GrammarPast Tense

Form Dutch past tense using the imperfectum (-te/-de) for ongoing past and perfectum (hebben/zijn + past participle) for completed actions.

1Imperfectum (Simple Past)

Add -te(n) after stems ending in t, k, f, s, ch, p. Add -de(n) after other consonants. Remember: 't kofschip.

Imperfectum Endings

TypeSingularPluralExample
t,k,f,s,ch,p stem-te-tenwerkte, werkten
other stems-de-denleefde, leefden

Examples

Ik werkte gisteren.

I worked yesterday.

werk + te (t in kofschip)

Wij woonden in Amsterdam.

We lived in Amsterdam.

woon + de

Hij fietste naar school.

He cycled to school.

fiets + te (s in kofschip)

Zij speelden voetbal.

They played football.

speel + den

2Perfectum with Hebben

Most verbs use hebben + past participle. Past participle: ge- + stem + -t/-d.

Perfectum with Hebben

InfinitivePast ParticiplePerfectum
werkengewerktheb gewerkt
makengemaaktheb gemaakt
levengeleefdheb geleefd
horengehoordheb gehoord

Examples

Ik heb het gedaan.

I have done it.

hebben + gedaan

Zij heeft een boek gelezen.

She has read a book.

hebben + gelezen

Wij hebben de film gezien.

We have seen the movie.

hebben + gezien

Hij heeft hard gewerkt.

He has worked hard.

hebben + gewerkt

3Perfectum with Zijn

Verbs of motion and change of state use zijn + past participle.

Zijn Verbs

InfinitivePast ParticipleMeaning
gaangegaangone
komengekomencome
wordengewordenbecome
blijvengeblevenstayed
zijngeweestbeen

Examples

Ik ben naar huis gegaan.

I have gone home.

zijn + gegaan

Hij is gisteren gekomen.

He came yesterday.

zijn + gekomen

Wij zijn in Nederland geweest.

We have been in the Netherlands.

zijn + geweest

Zij is dokter geworden.

She has become a doctor.

zijn + geworden

4Irregular Past Participles

Strong verbs have irregular past participles that must be memorized.

Common Strong Verbs

InfinitivePast ParticipleEnglish
schrijvengeschrevenwritten
etengegeteneaten
drinkengedronkendrunk
ziengezienseen
nemengenomentaken
gevengegevengiven

Examples

Ik heb een brief geschreven.

I have written a letter.

schrijven → geschreven

Heb je al gegeten?

Have you eaten yet?

eten → gegeten

Wij hebben koffie gedronken.

We have drunk coffee.

drinken → gedronken

Hij heeft de sleutels genomen.

He has taken the keys.

nemen → genomen